Menu Close

Acc_Geofysica

Magnetometrie (land & water)

Een magnetometer meet de totale flux van het aardmagnetische veld in zijn omgeving. Dit veld kan lokaal verstoord door de aanwezigheid van ijzerhoudende gesteenten of objecten. De begravingsdiepte van een object kan gemodelleerd worden door meerdere magnetometersondes te combineren (gradiometeropstelling).

Afhankelijk van het detectiedoel maken we gebruik van verschillende magnetometertypes (uniaxiale of triaxiale fluxgate sondes, totaalveldsondes), die ingezet kunnen worden op land of op water, zowel voor oppervlakte- als voor dieptedetectie (boorgatsondes).

Elektromagnetometrie (land & water)

Een elektromagnetometer genereert een primair elektromagnetisch veld en induceert binnen het bereik van dit veld secundaire elektrische stromen in metalen objecten. Zo ontstaat een secundair veld, dat wordt gemeten gedurende meerdere tijdsintervallen. De vervaltijd is evenredig met de grootte en diepteligging van het object.

De techniek kan ingezet worden op water en land. Een belangrijk voordeel is, dat deze systemen niet enkel ijzerhoudend metaal detecteren, maar ook gietijzer en andere legeringen.

Grondradar (land)

Een grondradar (ground penetrating radar of GPR) stuurt een elektromagnetische puls uit, die gedeeltelijk gereflecteerd en gedeeltelijk geabsorbeerd wordt door de ondergrond. Het gereflecteerde signaal wordt wederom gedetecteerd: de signaalsterkte is evenredig met de graad van contrast tussen de materialen in de ondergrond. Het tijdstip waarop het gereflecteerd signaal ontvangen wordt, laat de dieptebepaling van een bodemlaag of object toe. De centerfrequentie van de uitgezonden golven bepaalt de indringingsdiepte van het signaal en wordt gekozen in functie van de toepassing: geologische of geotechnische toepassingen (lage centerfrequentie); archeologie of objectdetectie (intermediaire centerfrequentie); kwaliteitscontrole van structuren (hoge centerfrequentie). Het resultaat van de meting is sterk afhankelijk van de toestand van de ondergrond: droge of verzadigde zandbodems garanderen een goede signaalindringing, terwijl klei- of leemgrond en het voorkomen van zout water typisch een minder goed resultaat leveren.

We bekijken of de techniek geschikt is voor uw projectlocatie en met welk type antenne het gewenste resultaat behaald kan worden. Door gebruik te maken van een trailersysteem is het ook mogelijk om grote oppervlakken efficiënt te detecteren.

Subbottom profiler (water)

Subbottom profilers sturen een akoestisch golf uit, die de waterkolom penetreert en vervolgens geabsorbeerd en/of gereflecteerd wordt door het sediment van de waterbodem. Daar de meeste SBP-systemen ontwikkeld worden met het oog op geologische toepassingen (grote indringingsdiepte, vergelijkbaar lage resolutie), komt slechts een beperkt aantal systemen in aanmerking voor objectdetectie. Hiervoor dient in het bijzonder rekening gehouden te worden met de capaciteit van het toestel (maximale pulslengte en pulsfrequentie) en de pulskarakteristieken. Door het verschil in akoestische impedantie tussen een object en het omringende sediment, zal een object zich als een duidelijk zichtbare hyperbolische reflectie manifesteren. De detecteerbaarheid van een object is afhankelijk van zijn afmetingen, de snede van vaarlijn en object, de vaarsnelheid en meetfrequentie en de onderlinge afstand tussen de vaarlijnen.

De techniek is geschikt voor het terugvinden van begraven objecten en kan een waardevolle aanvulling vormen op een (elektro)magnetometrische detectie.

Side scan sonar (water)

Een side scan sonar stuurt een akoestisch golf uit, die de waterkolom penetreert en vervolgens gereflecteerd wordt door het waterbodemoppervlak. Hierdoor ontstaat een beeld dat vergelijkbaar is met een luchtfoto op land.

De techniek is geschikt voor het terugvinden van objecten op de waterbodem (denk aan verloren ankers, buizen…) en kan een waardevolle aanvulling vormen op een (elektro)magnetometrische detectie.

Elektrische resistiviteit (water)

Dit systeem bestaat uit een hoofdmodule (zender) waaraan een sensorkabel bevestigd is, die is uitgerust met ontvangers (elektroden). De hoofdmodule stuurt een stroompuls uit, die door de ontvangers (gedeeltelijk) geregistreerd wordt (geïnduceerde elektrische potentiaal). Deze potentialen zijn een functie van de resistiviteit van de bodem en van de afstand tussen de hoofdmodule en de ontvangers. Deze afstand bepaalt wederom de penetratiediepte van het signaal. De focus ligt bij de dataverwerking eerder op contrastverhoging, dan op het realistisch modelleren van ondergrondeigenschappen. De detectielimiet voor objecten is afhankelijk van volgende factoren: de afmetingen van het object; de watersaliniteit; de afstand tussen de elektroden; de uitgestuurde stroomsterkte en de vaarsnelheid.

Deze techniek kan een oplossing bieden in gebieden met sterke verstoring, waar het magnetisch signaal verzadigd is. Een bijkomend voordeel is dat niet enkel ijzerhoudende metalen gedetecteerd worden.